Navigatie overslaan
Uitgelichte afbeelding

Irene kan niet rouwen om haar gewelddadige vader

‘Hij zei nooit dat het hem speet’

Irenes vader en haar pleegzusje, twee mensen die haar leven voorgoed bepaalden, leven niet meer. Toch voelt ze geen duidelijke rouw. En juist dat ontbreken laat een leegte achter. “Ik had zo gehoopt op een gesprek met mijn vader zonder leugens, zonder haat, zonder boosheid.”

“Met mijn ouders en vijf jaar jongere zusje vormden we in het begin van mijn leven een doorsnee jarenzestiggezin. We woonden in Gelderland, maar bezochten geregeld familie van mijn moeder in Borne. Daar woonde ook een nicht van mijn moeder die een meisje had geadopteerd: Els. Als ik in Borne bij mijn opa en oma logeerde, speelde ik altijd met haar. We scheelden maar twee jaar. Kameraden werden we.” Later zou Irene zich afvragen wanneer er iets begon te schuiven. Wanneer wat vanzelfsprekend was, langzaam verdween.

Drie dochters

Op haar dertiende loopt Els weg van haar geadopteerde familie, omdat het om bepaalde redenen niet meer gaat. Ze komt in een tehuis terecht, maar Irenes ouders zien wel een plek voor haar in hun gezin. Zo worden zij haar pleegouders en hebben ze ineens drie dochters.

“Els en ik dachten dat we het getroffen hadden. Nu waren we ook zusjes. Al die dingen die we samen tijdens onze vakanties deden, konden we nu ook thuis doen. We gingen naar dezelfde school. Het zou geweldig worden.”

Mijn vader kreeg steeds meer aandacht voor Els

De drie meiden rijden paard en Irenes ouders gaan geregeld mee naar de manege. “Maar langzamerhand veranderde de dynamiek in ons gezin. Mijn vader had steeds meer aandacht voor Els. En niet op een goede manier. Dat had ik als twaalfjarige niet direct in de gaten. Maar ergens wist ik wel dat zijn aandacht anders was.

Mijn moeder klaagde veel. Zij zag wel degelijk wat er aan de hand was. Mijn jongste zusje was te jong om iets mee te krijgen. Er werd niet over gesproken, tot het mijn moeder te hoog zat en ze mij in vertrouwen nam. Ze vertelde dat mijn vader met Els naar de manege was geweest en dat ze daarna waarschijnlijk ergens heen gingen om ‘met elkaar naar bed’ te gaan.

Els vertelde dat er vervelende dingen met haar gebeurde

Ik vond dat verschrikkelijk. Ik wist niet wat ik met die informatie moest. Op een gegeven moment was Els ook open naar mij toe. Ze vertelde niet precies hoe en wat, maar wel dat er vervelende dingen met haar gebeurden. Ik zei: ‘Waarom deel je dit niet met onze schooldirecteur?’ We zaten samen op de mavo.”

Heb jij met de schooldirecteur gepraat? vroeg mijn vader aan mij

Op een middag belde de directeur naar ons huis. Mijn vader nam de telefoon op, legde hem neer en draaide zich abrupt om. Hij keek me aan en vroeg: ‘Heb jij met hem gepraat?’
‘Nee,’ zei ik.

Toen bleek dat Els de directeur in vertrouwen had genomen, maar dat dit een oude vriend van mijn vader was. Mijn vader heeft zijn daden blijkbaar recht gepraat, want er gebeurde daarna niets. Els sprak er daarna nooit meer over met mij. We stopten het weg. Als ik erover begon, werd ik dagenlang door mijn vader doodgezwegen, aan tafel uitgescholden of geslagen. Het misbruik ging gewoon door. Mijn moeder was overstuur, maar ik denk niet dat ze voelde dat ze in een positie was om iets te kunnen doen. Jarenlang ging het zo door. De verhoudingen binnen ons gezin werden steeds verder scheefgetrokken.

Vijanden

Lange tijd zag ik Els als een vijand. Op haar manier probeerde ze te overleven. Dat deed ze door in de gunst te blijven bij mijn vader, en mij en mijn zusje af te schilderen als losers. ‘Jullie kunnen niks,’ zei ze. Het is moeilijk uit te leggen, maar in ons gezin waren mijn vader en Els de sterkste personen.” Vader en Els stonden tegen over elkaar, maar vormen ook samen twee fronten.  “Dat betekende dat je moest kiezen bij wie je hoorde.”

Ik deed niks toen mijn moeder weg neergeslagen

Als tiener probeerde ik óók te overleven door beste vrienden te zijn met Els en mijn vader, terwijl mijn moeder als een nul werd behandeld. Ik heb toen dingen gedaan en gezegd waar ik nog steeds verschrikkelijk veel spijt van heb.

Dat ene beeld dat blijft terugkomen

Ik herinner me één moment dat me tot op de dag van vandaag achtervolgt. Het was een zondag, toen het misbruik net begonnen was. Mijn moeder en Els stonden tegenover elkaar. Ze hadden ruzie. ‘Ik ben je moeder en je hebt gewoon te luisteren,’ riep mijn moeder. Mijn vader kwam binnen, zag hen staan en sloeg mijn moeder tegen de grond. Hij schopte haar terwijl hij schreeuwde: ‘Opstaan, opstaan!’

Els, mijn zusje en ik stonden erbij. We deden niets. Het geschreeuw ging maar door. Tot ook ik meedeed. ‘Opstaan, opstaan!’ Omdat ik voelde dat ik partij moest kiezen.

Afscheid

Toen ik achttien was, was alles zo verdraaid en vreemd. Ik herinner me kerstavond. Ik was uitgenodigd om de volgende dag kerst te vieren bij de familie van mijn Duitse vriend Ronnie. Ik was grieperig en ging vroeg naar bed. Mijn vader, Els en mijn jongere zusje kwamen terug van de manege. Ik hoorde mijn moeder zeggen dat ik met Ronnies ouders weg zou gaan. Mijn vader was daar niet blij mee. ‘Als ze met die mof weggaat, dan moet ze maar kiezen: of ze blijft hier of ze gaat helemaal weg.’

Die hele nacht dacht ik na over wat ik mee zou nemen. ’s Ochtends wachtte ik tot mijn vader weer naar de paarden was vertrokken. Toen ging ik naar beneden. ‘Ik heb alles gehoord,’ zei ik tegen mijn moeder. ‘Ik vertrek. Als ik niet bij Ronnies ouders mag blijven, dan ga ik wel naar een tehuis. Maar ik kom niet meer terug tot alles thuis normaal is.’

Zes weken celstraf

Irene woont een tijdje bij Ronnie. “Na die dag had ik heel lang geen contact meer met mijn gezin. Anderhalf jaar later ging ook Els weg. Ze had haar biologische ouders gevonden en deed aangifte tegen mijn vader wegens seksueel misbruik. Hij bekende, maar alles bij elkaar kreeg hij zes weken gevangenisstraf. Wat een zacht prijsje voor het verwoesten van iemands leven.”

De relatie met Ronnie gaat uit. Irene trouwt twee keer heel jong: aardige mannen, maar geen matches. Als ze een baan vindt bij de luchtmacht ontmoet ze haar huidige Canadese man. “Met hem bouwde ik in Canada een leven op, ver weg van Nederland. Toch drongen oude herinneringen zich op. Ik zocht hulp bij een psycholoog en begon te schrijven over mijn jeugd. Dat hielp.”

Ik begon geen gevecht met iemand die zo dicht bij de dood stond

Ook vindt Irene steun in gesprekken met predikant Herman Haan. Ze ziet zijn verhaal in het EO-programma Ik mis je en herkent veel van haar eigen leven. Hij leert haar te bidden. Al gaat dat nog niet altijd even makkelijk. “Er praat niemand terug. Maar van Herman leerde ik: Je krijgt niet altijd gelijk antwoord. Hij bidt ook weleens door te zeggen: ‘Heer, doe het weer!’

Dat doe ik nu ook soms. Zo van: ik ben hier weer, ik ga de strijd weer aan vandaag. Help me alstublieft.

Geen rouw?

Mijn vader overleed in 2006 aan de gevolgen van COPD en uitgezaaide kanker. Voor zijn overlijden vloog ik met mijn dochter naar Nederland om hem in het ziekenhuis op te zoeken. Hij wist dat hij stervende was. ‘De finish is bereikt,’ zei hij. Op dat moment was ik alleen maar zijn dochter en probeerde lief te zijn. Ik begon geen gevecht met iemand die zo dicht bij de dood stond. Hij huilde. Hij had pijn en was benauwd.

Ik had gehoopt op een gesprek zonder leugens

Maar er kwam geen: ‘Het spijt me.’ Die nacht overleed hij. Ik had overwogen om die avond nog alleen terug te gaan naar het ziekenhuis. Dat heb ik niet gedaan. Soms heb ik daar spijt van. Het had een moment kunnen zijn waarop we eerlijk waren geweest. Ik had gehoopt op meer eerlijkheid. Ook al voordat hij zo ziek werd. Een gesprek zonder leugens, zonder haat, zonder boosheid.

Uit plicht als zijn dochter sprak ik op zijn begrafenis. Maar nooit heb ik om hem gerouwd.

Het contact met Els was lange tijd verbroken. In 2004 zocht ik weer contact op via sociale media; ik was benieuwd hoe het met haar ging. We belden een paar keer en in 2011 bezocht ik haar en haar man. Die ontmoeting was heftig. Er was boosheid, maar ook herinneringen van ons als vriendinnen en ons kattenkwaad van vroeger. ‘Ik vind het zo erg wat jou is aangedaan,’ zei ik haar. Ze antwoordde: ‘Daar kon jij niks aan doen, jij was ook nog maar een kind.’ Maar echt goed contact kwam er niet meer tussen ons.

Els belandde na haar vertrek uit ons gezin in de prostitutie. Ze had COPD en was vaak ziek. Op haar 59e overleed ze. Veel te jong. Haar man stuurde me een Facebookbericht. Op dat moment voelde ik wel iets. Maar het gevoel was ver weg.

Mijn vader en Els waren twee van de belangrijkste mensen in mijn leven. Mensen van wie ik veel gehouden heb. Mensen die mijn leven hebben bepaald. Maar ik weet nog steeds niet hoe ik om hen moet rouwen. Ik voel berouw en verdriet.
Maar rouw? Nee.

Ik heb me als kind verschrikkelijk alleen gevoeld. Ik schaamde me dood voor mijn gezin. Tot ik ontdekte dat ik niet de enige was bij wie misbruik en geweld in het gezin voortkomt. Daarom deel ik mijn verhaal.

Op een zwart-witfoto zie ik mezelf als baby bij mijn vader op schoot zitten. Als ik daar nu naar kijk voel ik verwondering. Hoe we daar zo zaten, en hoe het zo verschrikkelijk fout is gegaan. Mijn vader had zoveel. Waarom was dat niet genoeg?”