
Gert Lont verloor zijn vader en twee bemanningsleden bij de scheepsramp met vissersboot WR-6
'Het verdriet blijft altijd aanwezig'
Leestijd: 5 minDoor Janet Freriks

'Het verdriet blijft altijd aanwezig'
Leestijd: 5 minDoor Janet Freriks
Op garnalen vissen nabij het Duitse eiland Sylt. Met die missie vertrekt de driekoppige bemanning in januari 1967 met vissersboot WR-6. Halverwege de week besluiten ze noodgedwongen eerder huiswaarts te keren: er is slecht weer op komst en er moet onderhoud gepleegd worden. Maar thuis komen ze niet. Bijna vier maanden later spoelt het lichaam van Gerts vader aan op het Duitse eiland Amrum, maar de twee andere bemanningsleden én het wrak zijn nog altijd spoorloos: “Ik had de jongens zo graag thuis willen brengen.”
Een gouden kans. Zo voelt het voor Gert Lont als hij in 1966 wordt gevraagd om een half jaar naar Nieuw-Zeeland te gaan. Hij is op dat moment schipper van de WR-6 en houdt zich met zijn vader Simon bezig met innovatieve vismethoden. “Eigenlijk vroegen ze mijn vader, maar hij gunde het mij”, vertelt Gert. “Als beloning voor een paar jaar keihard werken. Ik vond het prachtig. Verder dan Nieuw-Zeeland kun je niet komen. Mijn vader zou in de tussentijd mijn werk als schipper op de WR-6 overnemen.”
En zo vaart de WR-6 in die tweede week van januari 1967 uit naar het visgebied bij het eiland Sylt, terwijl Gert 18.000 kilometer verderop zijn kennis en ervaring deelt. “Toen ik daar een paar weken was, belde mijn moeder. Dat werd door de telefooncentrale vooraangekondigd”, herinnert hij zich. “Telefoontjes zoals we nu hebben, kenden ze destijds natuurlijk nog niet.”
Zijn moeder belt met verschrikkelijk nieuws: de WR-6 is niet teruggekomen. “Ik wilde meteen naar huis. Maar mijn moeder zei: ‘Er is hier niets. Maak je werk daar af.’ Die nacht heb ik heel hard liggen huilen. Ik voelde me zó machteloos. Verder weg van mijn familie kon ik op dat moment niet zijn.” Aangemoedigd door de woorden van zijn moeder dat hij thuis niets kan doen, besluit Gert zijn werk in Nieuw-Zeeland af te maken. “Ik was bij een visser in de kost, die toevallig ook Lont heette. Met hem praatte ik er af en toe over.”
Als ik daaraan denk, word ik nog emotioneel.
In juni van datzelfde jaar staat opeens de politie voor de deur van Gerts ouderlijk huis. “Dat viel rauw op ons dak. Ze vertelden ons dat er een lichaam was aangespoeld bij het Duitse eiland Amrum”, zegt Gert. De politieman vraagt Gert en zijn familie nader onderzoek af te wachten, maar dat advies slaan ze in de wind. “Mijn moeder en ik zijn meteen naar Duitsland gereden.”
De man die in Amrum is aangespoeld, blijkt inderdaad Gerts vader. “Hij was begraven op een apart kerkhof voor onbekende zeemanslieden. Aan de hand van foto’s van zijn horloge, zijn kraag - met zijn initialen erin - en zijn gebit konden we hem identificeren. Ik weet nog dat we onder de indruk waren van de hartelijke ontvangst door de dominee en de kerk. Het was allemaal heel respectvol.”
Na de identificatie reizen ze opnieuw af naar Amrum: dit keer met de hele familie. “In Duitsland kregen we een auto-ongeluk, waarbij mijn moeder zwaargewond raakte. Ze heeft maanden in een Duits ziekenhuis gelegen. Toen zij weer thuis was, hebben we met twee vissersschepen mijn vaders lichaam opgehaald. Hier, in Hippolytushoef, hielden we een afscheidsdienst in de kerk. Die was tjokvol. De Wieringer gemeenschap is heel hecht.”
Hoewel Gert op dat moment opgelucht is dat zijn vader weer ‘thuis’ is, worstelt hij ook met een ander gevoel. “Het was - en is - heel dubbel. Mijn vader hebben we gevonden. Maar de andere bemanningsleden, Piet Everts en Gerrit Boerdijk, zijn nooit gevonden. Dat is heel moeilijk.” Hij is even stil. “Als ik daaraan denk, word ik nog emotioneel. Het was mijn bemanning. Als je op zee bent met elkaar, word je heel hecht. Je vertelt elkaar van alles. Ik had zó graag gewild dat we die jongens ook thuis hadden gebracht.”
In de jaren die volgen, pakt Gert zo goed en zo kwaad als het kan, zijn leven weer op. “We kregen veel aanloop”, weet hij nog. “En als gezin haalden we regelmatig anekdotes op. Soms hadden we als kinderen zelfs de slappe lach. Dan voelden we ons meteen schuldig: we waren tenslotte in de rouw.”
Weten waar je geliefden zijn, maakt een wereld van verschil.
Negen jaar na de dood van zijn vader, krijgt Gert opnieuw een mokerslag te verwerken: zijn moeder overlijdt. “Ik was toen 32”, vertelt hij. “Ze zag het leven zonder mijn vader niet meer zitten. We wisten wel dat ze het psychisch moeilijk had, maar daar praatte ze niet zo openlijk over.” Op het moment van overlijden, verblijft Gert al enkele jaren voor ontwikkelingswerk in Tanzania. “Na haar overlijden heb ik wel met een schuldgevoel rondgelopen”, bekent hij. “Dat ik in het buitenland ben gaan werken. Maar mijn leven ging nou eenmaal die kant op.”
Inmiddels is Gert 82 en woont hij weer in zijn vertrouwde Hippolytushoef. Zijn vader en moeder liggen in hetzelfde graf, een paar honderd meter van zijn huis. “Als ik een rondje loop, ga ik er regelmatig langs. Dan sta ik er even stil of haal ik wat onkruid weg.”
Dat stilstaan lukt Gert niet als het gaat om de zoektocht naar de WR-6. Want ook na 60 jaar wil Gert niets liever dan de nabestaanden van zijn bemanning de rust geven waar ze zo naar verlangen. Daarom vestigt hij zijn hoop op de Stichting Onderzoek Maritieme Vermisten, die met hem op zoek blijft naar de vermiste kotter. “Weten waar je geliefden zijn, maakt een wereld van verschil.”
In ‘Op Zee gebleven’ gaat Gert samen met de Stichting Onderzoek Maritieme Vermisten op zoek naar de vermiste kotter. Hoe dat afloopt, zie je in de uitzending van zaterdag 18 april, 20:30 uur op NPO 2.

Wil je dat we artikelen en programma’s over rouw, de dood en verder leven kunnen blijven maken? Samen leren we leven met verlies; ga naar meer.eo.nl/rouw en steun ons met een donatie.
