Feike verliest twee zonen door brand

Door een brand verloor Feike van Dijk niet alleen zijn houten huis, maar ook twee van zijn kinderen. Hij en zijn Amerikaanse vrouw Noelle slaagden er niet in om Zephy (4) en Noah (2) uit de plotselinge vuurzee te redden.

“Ik ren terug naar ons brandende huis. Noelle probeert wanhopig naar binnen te gaan, maar er is zo veel hitte en zwarte rook, dat het onmogelijk is. We staan naast elkaar en worden door een muur van hitte naar achteren gedrukt. We schreeuwen hun namen. Zephy en Noah. En horen ze nog, allebei.

Ze roepen naar ons. Kuchen. Als ik nogmaals probeer naar binnen te gaan om hen te halen, hoor ik een stem – van God, een engel, of iemand anders? ‘De jongens zijn er niet meer; als jij naar binnen gaat, ben jij er ook niet meer. Ga niet.’

Alles stil

Plotseling is het of alles geluidloos wordt, alsof alles stilstaat. Noelle en ik kijken elkaar aan, nog maar drie of vier minuten na het begin van de brand. We horen de jongens niet meer, alleen nog het vuur. We beseffen: het is voorbij.”

Feike is geboren in Almelo, maar woont met zijn Amerikaanse vrouw en kinderen in de Verenigde Staten. Hij komt regelmatig naar Nederland om zijn moeder en familie op te zoeken.

Herinneringen aan ramp blijven zwaar

Feike wrijft z’n grote handen over zijn gezicht. “Het is heel moeilijk om het uit je geheugen te krijgen. De stemmen en de geluiden van de jongens, en van het vuur. Vuur brúlt echt. De geuren van die zwarte rookwolken, die overal waren. De beelden.” Hij schudt zijn hoofd. “We krijgen medicatie om het te onderdrukken. Maar het blijft zwaar. Je wilt niet meer denken aan wat er is gebeurd, maar kunt niet anders. Juist op momenten van rust, als je wilt slapen, of als Noelle en ik samen over de kinderen praten, komen al die dingen en herinneringen keihard terug. Ik heb zo veel moeite om te slapen. Zo veel nachtmerries gehad, vooral in het begin. Het is allemaal nog vers. Elke dag zien we hun gezichten voor ons.”

De psychiater die hen begeleidt, vertelde Feike en Noelle dat ruim negentig procent van de stellen die zo’n traumatische ervaring doormaken, uit elkaar gaat. “Met ons is het tegenovergestelde gebeurd,” zegt Feike, met verwondering in zijn stem. “We zijn dichter naar elkaar toegegroeid.

Omgaan met schuldgevoel

Feike en Noelle moeten zichzelf dagelijks vergeven, vervolgt hij. “Dat klinkt misschien bizar. Maar elke dag moeten we zeggen: het is niet onze schuld, we konden er niets aan doen. Het is niet Gods schuld. Het is niemands schuld.” Want de vraag vliegt hem meer dan eens aan: ‘Heb ik wel genoeg gedaan? Had ik de jongens niet toch kunnen redden, en desnoods zelf moeten sterven in het vuur?’ “Zo vaak schiet het door me heen: ‘Als ik het anders had gedaan, waren de jongens nog oké…’ Maar dat zijn gedachten waaraan je niet moet toegeven. Noelle en ik hebben professionele hulp en zoeken naar wegen om hier doorheen te komen. En er samen voor de kinderen zijn.”

Lange pijnlijke weg naar heling

Aanvankelijk wilde Noelle de plek des onheils zo ver mogelijk achter zich laten, en naar Nederland emigreren om daar – als gehavend gezin – te proberen een nieuwe start te maken. Feike wilde juist in Amerika blijven. Na veel gesprekken, besloot Noelle dat dit inderdaad het beste was.

“Alles achterlaten? Wat zouden we daarmee oplossen?” Feike spreidt zijn handen en zegt: “Niets. Bovendien: hier hadden we zo veel lieve, zorgzame mensen om ons heen, die ons na de brand enorm hebben geholpen.” Dwars door de pijn heen gaan: dat was volgens hem de snelste (zij het nog altijd lange en pijnlijke) weg naar heling.

Inmiddels hebben ze een nieuw huis. Woonden ze voorheen wat buiten het dorp, nu in het midden van deze kleine gemeenschap. Omdat hun vorige woning langs de enige doorgaande weg stond, rijdt Feike er vaak langs. Steevast kijkt hij naar de zwartgeblakerde plek, die zo veel deuren naar het verleden opent. En dan bidt hij. “Kinderlijk misschien, maar ik hoop altijd dat Noah en Zephy meeluisteren. En dan praat ik ook tegen hen: ‘Jongens, ik houd zo veel van jullie. Het spijt me zo dat ik jullie niet heb kunnen redden, maar… ik zie jullie snel.’ Zoiets.”

Bluspaal brandweer

Feike wordt zelf brandweerman

In de buurt van zo veel schroeiende herinneringen blijven wonen, is één ding. Maar Feike ging een stap verder. Op een dag gaf hij zijn gezin te kennen dat hij zich bij de plaatselijke brandweer wilde aanmelden. Noelle begreep er niets van, maar zijn besluit stond vast. “Als brandweerman kan ik iets bevechten waar ik het voorheen niet van kon winnen: het vuur,” legt hij uit. “Dat is voor mij een persoonlijke demon. Het belangrijkste is dat ik, als zoiets weer gebeurt, tussen andere mensen en het vuur in kan staan.”

Het waren de mannen uit zijn team – allemaal vaders – die bij de smeulende restanten van zijn eerste huis stonden (hoe de brand kon ontstaan, is nooit duidelijk geworden). “Zij moesten de jongens, die bij elkaar lagen, vinden. Dat is… ongelofelijk moeilijk.”

Vertrouwen op God

“Onze hoop is dat we op een dag met onze jongens herenigd zullen worden,” antwoordt hij op de vraag wat hem op de been houdt. “Ons troost de zekerheid dat ze in goede handen zijn, op een plaats zonder pijn, bij God.”

Feike pakt z’n telefoon en laat een gezinsfoto zien, waarop ook Noah en Zephy lachend in de camera kijken. “Dit was op de avond van 4 juli, een grote feestdag in Amerika. Vanaf ons erf konden we het vuurwerk boven Lander zien. We hadden een vuurtje aangelegd, marshmallows gemaakt, een tent neergezet. Able nam deze foto. Toen wisten we nog niet dat dit hun laatste foto zou zijn. Elf dagen later…” Feike veegt zijn ogen droog, kijkt weer naar Noah en Zephy en zegt zacht: “Mooie mannetjes.”

Tekst: Gert-Jan Schaap
 | Beeld: Dick Vos

Bekijk ook