Terug naar overzicht
Artikel

Ruud de Wild over de dood in popmuziek

Popmuziek en de dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, stelt radio-dj, tv-presentator en kunstenaar Ruud de Wild. En hij kan het weten, want beide thema’s lopen als een rode draad door zijn leven.

Mijn ervaringen met de dood

Ruud de Wild

Ruud de Wild

Twee ervaringen met de dood hebben mijn leven behoorlijk op de kop gezet. Op 6 mei 2002 was politicus Pim Fortuyn te gast in mijn radioprogramma. Toen ik naderhand afscheid van hem nam op het Mediapark in Hilversum werd hij voor mijn ogen doodgeschoten. Even voor de duidelijkheid: dat was natuurlijk in de eerste plaats vreselijk voor zijn nabestaanden. Maar ik had het er zelf ook niet makkelijk mee. In de periode na de moord kwamen er oude doodsangsten als een kotsgolf naar boven. Ik raakte mezelf zo kwijt dat ik me begon af te vragen of ik zelf misschien ook dood was. Uiteindelijk kan ik het zien als een bevrijding, maar zo voelde het toen bepaald niet.

Aan de tweede ervaring denk ik positiever terug. Slechts een paar weken na Pim Fortuyn overleed ook Bart de Graaff, met wie ik de voorgaande jaren nauw had samengewerkt. Ik was vanaf het eerste uur betrokken bij BNN en dat was één groot avontuur. Die typische BNN-mentaliteit van ‘try before you die’ kwam regelrecht bij Bart vandaan. Zijn motto was: ‘Ik heb kort te leven, ik zit al in de verlenging, het is alles of niets!’ Maar dan niet zonder inhoud, niet met die nihilistische ‘fuck alles en iedereen’-houding van de Club van 27. Bart wilde heel graag iets moois nalaten, daar was hij heel bewust mee bezig. Dat heeft mij enorm aan het denken gezet: wat wil ik zelf eigenlijk achterlaten? Ik kan morgen omvallen, wat heb ik dan uit het leven gehaald, en wat ik heb voor de mensen om me heen betekend?

Uitvaart toptien

Je hebt van die mensen die al precies weten welke liedjes er op hun begrafenis moeten worden gedraaid. Sterker nog: sommige mensen hebben hun hele afscheid al tot in de puntjes geregeld, terwijl ze nog kerngezond zijn. Tamelijk bizar vind ik dat altijd. Een beetje ijdel ook wel. Persoonlijk heb ik zo goed als niets geregeld. De mensen die van me houden zullen van mijn rekening een lijkkist moeten pinnen, en verder heb ik er alle vertrouwen in dat ze er iets moois van zullen maken.

Maar vooruit, in de context van dit artikel wil ik best één liedje noemen dat bij mijn afscheid mag worden gedraaid. Dan kies ik voor Feel van Robbie Williams. Een heel eerlijk nummer over onrust en verlangen. Ik herken mezelf daarin: altijd gehaast zijn, ongedurig, dingen geen kans willen geven. Wel koester ik de voorzichtige hoop dat ik op dit gebied steeds ietsje wijzer word. Ik heb kinderen waar ik heel erg van geniet, en ik besef inmiddels wel dat je een bloem niet uit de grond kunt trekken om hem te laten groeien.

Nadenken over de dood

Over de dood denk ik tegenwoordig verder niet zoveel meer na. Ik kijk ernaar als een soort IKON-documentaire die ik niet goed kan begrijpen. Of er een hiernamaals bestaat, durf ik niet te zeggen – al zou ik het ergens wel lijp vinden als alles met de dood is afgelopen. Al die religies, al die rituelen die mensen rond de dood uitvoeren, zou dat allemaal nergens op slaan? Maar zekerheid hoef ik niet te hebben. Dat we in het leven zo weinig weten, vind ik juist wel spannend.

Afgelopen zomer overleed Toots Thielemans, een genie, wereldwijd beroemd als de vader van de mondharmonica. Wat me toen opviel: hij stond een uur of vier op pagina 101 van Teletekst, en dat was dat. Als je zoiets ziet, stemt dat wel nederig. Stel dat ik morgen omval, dan mag ik ook blij zijn met een halve dag op Teletekst. Daarna ga je de annalen in. Punt. Over naar de orde van de dag.

Bono van U2

Ooit probeerde ik Bono van U2 een compliment te geven. Ik noemde allerlei dingen op die hij had bereikt, met de band, maar ook privé en politiek, en sprak daar mijn bewondering voor uit. ‘Tja, antwoordde hij, ‘het enige wat er nu nog opzit, is omkomen bij een vliegtuigongeluk.’

Daar schrok ik van. Ik ben niet zo bijgelovig, maar zou zoiets toch niet over mezelf willen afroepen. Misschien was het een grap, maar volgens mij zat er wel een kern van waarheid in. Bono is een gelovig man, die het leven beschouwt als een missie, en hij leek te concluderen dat zijn taak inmiddels wel is volbracht. Als je met zoveel berusting over leven en dood kunt spreken, ben je in mijn ogen een rijk mens.

Popmuziek en de dood: het is eigenlijk een heel logische combinatie. Ik zal niet beweren dat ieder popliedje even diep gaat, maar uiteindelijk hebben we het toch over een kunstvorm en in de kunst gaat het van oudsher over de Grote Thema’s Des Levens. Op het eerste gehoor lijken bijna alle popliedjes over de liefde te gaan, maar als je beter luistert, merk je dat die liefde opvallend vaak een zwart randje heeft. Dat er wordt gezongen over hartzeer, wanhoop, verlies, rouw. Je zou zelfs kunnen stellen dat liedjes die dat randje níet hebben, zelden interessant zijn.

Om nog even bij U2 te blijven: een van de mooiste nummers over de dood vind ik Iris, waarin Bono zingt over zijn overleden moeder. In een couplet beschrijft hij hoe zijn moeder hem als jongetje spelend onder het zand begroef, en hoe dat tafereel zich jaren later herhaalt, maar dan andersom. Prachtig gevonden.

Club van 27

Toen ik te horen kreeg dat mijn eigen moeder was overleden, nu zo’n vijftien jaar geleden, had ik juist naar het nummer Black Dog on My Shoulder van de Manic Street Preachers geluisterd. Een wrang toeval, want daarin klinkt de regel: ‘There’s a black dog coming tonight’ – er is slecht nieuws op komst. Het nummer verwijst naar Richey Edwards, een ex-bandlid dat in 1995 op mysterieuze wijze verdween. Edwards was op dat moment 27 jaar…

En dat brengt ons bij een fenomeen waar we in een artikel over popmuziek en de dood niet omheen kunnen: de zogenaamde Club van 27. Op zeker moment begon het op te vallen dat veel beroemde popmuzikanten op 27-jarige leeftijd dood gingen; denk aan Jimi Hendrix, Janis Joplin, Kurt Cobain, Amy Winehouse. Daar is een zekere cultus omheen ontstaan.

Een beetje overdreven, denk ik. Er zijn ook zat artiesten op 25- of 30-jarige leeftijd overleden, maar het is net als met witte Fiat Panda’s: als je je daarop gaat concentreren zie je ze opeens overal rijden.

Een vroege dood

Dat neemt niet weg dat het een treurig verschijnsel is, al die veelbelovende artiesten die op zo’n jonge leeftijd wegvallen. De verklaring ligt helaas voor de hand: als je jong piekt, komt het einde ook snel in zicht. Meestal gaat het om heel gevoelige figuren, typische creatievelingen met een hang naar de donkere kant van het bestaan. Ze worden slecht begeleid, hebben onbeperkte toegang tot drank, drugs en wat dies meer zij, en dan gaat het een keer mis.

Als je het cynisch bekijkt, kan zo’n vroege dood een goede carrièrestap zijn. Kurt Cobain citeerde in zijn zelfmoordbrief een tekst van Neil Young: ‘It’s better to burn out than to fade away.’ En daarin heeft hij best een punt. Het is de vraag of Kurt zo’n legende was gebleven als hij langdurig muziek was blijven maken. Hetzelfde geldt voor John Lennon, Jim Morrison, Jeff Buckley. Wie weet zouden ze allemaal net zo treurig zijn geëindigd als Elvis in zijn laatste jaren. Of als Michael Jackson en Prince – bij hun overlijden nog steeds beroemd, maar artistiek allang niet meer relevant. En dan is er altijd nog het voorbeeld van Vanilla Ice, die in een fietsenwinkel ging werken en pas nog werd gearresteerd omdat hij het huis van een buurman had leeggeroofd.

Ruud de Wild

Dit artikel is een gedeeltelijk uit het origineel wat in de eenmalige glossy over de dood is verschenen. Overgenomen met toestemming. De afbeelding boven het artikel is een kamer uit het huis van John Lennon. 

 

gepost in
reacties ...

Wil je een gedenkplek maken en die online kunnen delen met familie en vrienden?

Maak monument

Ik wil een kaars aansteken voor iemand

Ontsteek een kaars