
Erik verliest zijn broer Bert: ‘Ik rouw niet alleen om mijn broer, maar ook om een collega-politieagent’
Erik mist zijn broer en collega
Leestijd: 8 min
Erik heeft een fijne jeugd. Hij heeft een goede band met zijn ‘grote broer’ Bert. Als jongvolwassenen kiezen ze allebei voor een baan bij de politie. Dat schept een bijzondere verbinding. Dan komt Bert op een dag niet thuis van zijn werk.
Trigger warning: dit artikel gaat over zelfdoding.
“We werkten allebei in Amsterdam, Bert in West en ik in Zuid. Van nature ben ik vrij stil, ik deel niet snel met anderen wat me bezighoudt of hoe ik me voel. Ook bij Bert kwam je er niet snel achter wat er in hem omging. Maar voor zover ik kon zien, ging het goed met hem, zijn vrouw Monique en de twee kinderen die ze na verloop van tijd kregen.”
Een onrustbarend telefoontje
15 februari 2002 lijkt een mooie dag te worden. Erik en zijn vrouw Annemiek liggen in bed te genieten van de zon die door de gordijnen schijnt. Dan gaat de telefoon. “Dat was schrikken”, vertelt Erik, “wie belt er nou zo vroeg? Het bleek mijn moeder te zijn − erg ongerust!”
Eriks moeder vertelt dat Bert die nacht niet is thuisgekomen. “Toen zijn vrouw Monique die ochtend ontdekte dat Bert niet naast haar lag, vond ze dat vreemd. Maar ja, misschien moest hij onverwacht overwerken. Toen ze naar het bureau belde en hoorde dat Bert gewoon om 23.00 uur de vorige avond op de fiets naar huis vertrokken was, gingen alle alarmbellen af.”
Zoekactie
Zou Bert een ongeluk gehad hebben? “Onmiddellijk gingen collega’s van verschillende eenheden op onderzoek uit, langs de route die hij altijd nam. Natuurlijk ging ik zelf ook op pad, met een dikke knoop in mijn maag!”
Erik is het dorp nog niet uit of zijn telefoon gaat. “Het was een collega, de beste vriend van Bert. Wat hij te vertellen had, sloeg in als een bom: ‘Ze hebben hem gevonden en het is niet goed.’” Erik weet direct wat dat betekent, maar wat hij daarna hoort, schokt hem nog veel meer. “De collega vertelde me dat Bert was gevonden op een bouwterrein bij een nieuw viaduct, met zijn dienstpistool naast zich. Hij had zichzelf van het leven beroofd.”
Ontreddering
Erik zit in shock achter het stuur. “Ik dacht: dit kan niet waar zijn. Het kan echt niet waar zijn! Bert … Waarom? Waarom?!” Hij rijdt naar huis, naar zijn vrouw Annemieke. “Ik kon alleen maar huilen en zij snapte gelijk dat het foute boel was. Met horten en stoten vertelde ik haar wat ik zelf eigenlijk nog niet kon geloven.”
De realiteit van de situatie dringt pas echt tot Erik door als hij even later de huiskamer van Bert binnenstapt. “Ik trof totale ontreddering aan. Monique en de kinderen zaten huilend op de bank. Radeloos! Toen voelde ik een enorme boosheid in me opkomen. Dit slagveld had Bert aangericht.”
"God gaf me de vrede en de kracht die ik nodig had om door te gaan"
Moniques ouders, de teamchef en Berts beste vriend zijn er ook. “Zij probeerden troost te bieden, maar is dat überhaupt mogelijk op zo’n moment?”
Al snel gaat Erik in de regelstand. “Het afscheid, de crematie, de financiën; er moest van alles geregeld worden. Ik dacht voortdurend: ik wil dit niet, ik wil dit niet.
Maar het moest. Ik heb in die tijd veel gebeden, rust gezocht bij God. Ik kon het niet alleen. God gaf me de vrede en de kracht die ik nodig had om door te gaan.”
Erehaag
De verslagenheid bij het Amsterdamse politiekorps is enorm. “Berts dood kwam keihard aan. Veel collega’s kenden hem persoonlijk en vroegen zich – net als ik – af: hadden we kunnen of moeten merken dat het niet goed met hem ging?”
Op de dag van het afscheid rijdt de familie in een stoet naar het crematorium. Langs de oprijlaan staat een erehaag van honderden politiemensen, sommigen in uniform, anderen in burger. “Ik zag hun betraande gezichten terwijl we tussen hen door reden. Dat greep me enorm aan. Ik had mijn broer verloren, maar voelde als politieman ook mee met hún pijn.”
Heftig beroep
“Binnen de politie ben je op een andere manier collega’s dan wanneer je bijvoorbeeld schilder bent. Je kunt van het ene op het andere moment in een situatie terecht komen dat je je leven als het ware in de handen van een collega legt of dat een collega zijn leven in jouw handen legt. Dat schept een speciale band onder alle politiemensen.”
"Ik zei tegen mijn vrouw: ‘Als jij nu onder een bus zou komen, of een van de kinderen, zou het me niets doen.'"
Tijdens de afscheidsplechtigheid haalt Erik jeugdherinneringen op aan zijn broer en spreekt hij de familie toe. Maar hij richt zich ook tot de politiemensen. “Ik drukte hen op het hart om oog voor elkaar te hebben. Politiemensen hebben een heftig vak. Zij maken soms in een paar diensten mee wat een gewone burger in zijn hele leven niet meemaakt. Bert heeft bijvoorbeeld de Bijlmerramp meegemaakt en nog veel meer heel nare dingen.”
Brief aan Bert
Na het afscheid gaat Erik ‘gewoon’ weer aan het werk, maar een jaar later, merkt hij dat het niet goed met hem gaat. “Mijn gevoel was afgestompt. Ik zei tegen mijn vrouw: ‘Als jij nu onder een bus zou komen, of een van de kinderen, zou het me niets doen.”
Erik meldt zich ziek, krijgt de diagnose PTSS en gaat in therapie.
“Als onderdeel van de behandeling schreef ik een brief aan Bert. Om onder woorden te brengen wat er allemaal in mijn hoofd rondspookte. Toen ik begon, merkte ik dat ik vooral boos was. Maar toen ik langer nadacht en doorschreef, veranderde mijn woede in medelijden. Ach Bert, lieve broer, wat zul je eenzaam geweest zijn in die duistere gedachten van je. Dat schrijven van die brief heeft me goed gedaan.”
Oog voor elkaar
Als Erik na een halfjaar weer aan het werk gaat, merkt hij dat hij nog meer oog heeft voor zijn collega’s dan voorheen. “In de eerste week zag ik een collega in de kantine zitten. Ik wist dat ze in die week drie zelfdodingen voor haar kiezen had gekregen en ik zag: het gaat niet goed met jou!
We hebben toen besloten om een opvangteam te vormen op ons bureau, om als naaste collega’s elkaar tot steun te zijn. Want ook al werk je bij de politie, je bent geen superman.” Erik vindt het fijn dat er uit de ellende die hij heeft meegemaakt, positieve dingen zijn voortgekomen. “Daar dank ik God voor.”
Herkenning geeft steun
Inmiddels is het ruim vierentwintig jaar geleden dat Bert stierf, maar “rouw kent geen einddatum”, zegt Erik. ‘Rouwverwerking’ vindt hij geen prettige formulering. “Ik leer ermee omgaan, maar het verlies is blijvend en de pijn kan op elk moment weer bovenkomen. Ik vraag me bijvoorbeeld vaak af hoe het verder gegaan zou zijn tussen ons als Bert nu nog had geleefd. Voor mij voelt dat niet als erg. Het doet me goed om regelmatig aan hem te denken.
Wat mij heel goed helpt, is praten over het verlies, zeker met mensen die iets soortgelijks hebben meegemaakt. Onder lotgenoten heb je weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen. Herkenning geeft steun.”
De spiegelvijver
“In mei 2024 is op het terrein van de Politieacademie een herdenkingsplek geopend voor politiemensen die zijn overleden door zelfdoding. Annemieke en ik zijn bij de opening geweest. Als onderdeel van de plechtigheid kregen alle nabestaanden een steen, waar we iets op konden schrijven voor degene die je herdacht.
Op het moment dat het mijn beurt was om de steen in de vijver te leggen, was het alsof er een last van mijn schouders viel. Wat ik op de steen geschreven heb? Dat houd ik voor mezelf. Dat is iets tussen mijn broer en mij.”
Anderen bemoedigen
In mei 2025 verschijnt Eriks autobiografische boek Stilte in de storm. “Ik heb zo veel meegemaakt. Een paar jaar geleden was het net alsof ik God hoorde zeggen: ‘Joh, schrijf het maar op.’ Het document was bedoeld voor onszelf en onze dochters, toch wordt het nu uitgegeven. Hopelijk kan ik anderen ermee bemoedigen! Ik zie nu al dat God er mooie dingen mee doet.”
Denk jij aan zelfdoding of maak je je zorgen om iemand? Praten helpt. Neem 24/7 gratis en anoniem contact op met 113 suïcidepreventie via 0800-0113 of chat op 113.nl.
Tekst: Eelkje Bikker





