Brief aan mijn vader

Miriam schrijft een brief aan haar vader, die overleed aan kanker. De relatie tussen Miriam en haar vader was nooit hecht, maar zijn ziekbed brengt hen dichter tot elkaar.

Voor mijn vader,

Op 30 juni 1968 werd je mijn vader. Zesentwintig jaar was je toen. Vader geworden van een kind met een ernstige handicap dat vermoedelijk niet eens levensvatbaar was. Vertwijfeld liep je die nacht de lange weg van het ziekenhuis naar huis. Je vrouw en pasgeboren kind achterlatend in het ziekenhuis, niet wetend wat te zeggen en wat te doen.

brief aan vader door Miriam

Vader van Miriam

Je kon het niet verwerken. De keuze om je kind te laten leven of niet. Jouw kind, ik dus, overleefde tegen wil en dank. Een strijd werd gevoerd. Met jezelf, met je vrouw (mijn moeder) en met mij. Mijn gevecht, mijn revalidatie, je kon het niet aanzien. Wellicht in combinatie met je persoonlijkheid, je verantwoordelijkheidsgevoel en de stress die je ervoer, ontstonden conflictsituaties. Die soms meer uit de hand liepen dan de bedoeling was. Conflicten met mijn moeder, met mij en met jezelf.

“Je stimuleerde mij om te gaan studeren.”

Ik herstelde wonderwel. Vaak gingen we samen naar je moestuin, waar je groente kweekte. We deden dingen samen zonder woorden. Ik groeide op en werd een puber, zonder een echte band met je te hebben. Soms was deze er wel. Zoals in de moestuin. Je stimuleerde mij om te gaan studeren.
Ik werd volwassen. Met mijn sterke wil ging ik tegen je in. Dat kon je niet altijd waarderen. Ik ging zelfstandig wonen en je had mijn moeder weer voor jezelf. De rust kwam terug.

Toen werd je ziek. Kanker in een vergevorderd stadium, niet meer te genezen. Je leven zat erop. Wat vond je dat moeilijk! Nu streed je om zelf te mogen blijven leven. Helaas is je dat niet gelukt. Je bent ruim acht maanden ziek geweest en in die tijd kwamen we nader tot elkaar. Je kwam weer in mijn leven en deelde je gevoel met mij. Hierdoor gingen voor mij de scherpe kantjes eraf en zijn mijn herinneringen mooi geworden.

“Hoe zou je dat vinden, denk ik weleens? Opa zijn.”

Je stierf toen ik 33 was. Jammer. Voor jou én voor mij. Je hebt niet meer meegemaakt dat ik getrouwd ben en moeder ben geworden. Toch ben jij de opa van mijn kind. Hoe zou je dat vinden, denk ik weleens? Opa zijn.

Een derde deel van mijn leven ben ik zonder vader. Het was het beste deel van mijn leven; ik ben erg gelukkig met mijn man en kind. Ik vind het heel erg jammer dat je dit geluk niet meer hebt kunnen meemaken. Ik vraag mij af hoe het voor je geweest zou zijn om mij als moeder gelukkig te zien.

“Het gemis is het grootst nu je er echt niet meer bent.”

Het grootste deel van mijn leven heb ik de aanwezigheid van een vader gemist, maar het gemis is het grootst nu je er echt niet meer bent. Afwezig ben je niet. Je bent meer aanwezig dan ooit tijdens je leven. In mij. En in mijn kind, jouw kleinkind.

Miriam

Bekijk ook